Geschiedenis
De geschiedenis van het schoonspringen begint in de zeventiende eeuw. Een belangrijke rol in de geschiedenis spelen turnen en trampolinespringen. Turners oefenden in de zomer op het strand. Ze namen hun trampoline mee en sprongen dan in het water. Ook sprongen mensen zo mooi mogelijk van de rotsen. Met de uitvinding van de springplank werd het schoonspringen een echte sport.

Spelregels
Bij wedstrijden is er een jury. De jury let op of iedereen zich aan de regels houdt. Ook bepaalt de jury wie er wint. Zij letten op techniek, schoonheid, hoogte, afstand en netheid. Er mag bijvoorbeeld geenwater opspetteren bij de landing. Voor iedere sprong krijg je punten. De springer met de meeste punten wint de wedstrijd. Voor een moeilijke sprong krijg je extra punten. Een moeilijke sprong is bijvoorbeeld de schroefsprong. Dat is een sprong met schroeven en salto’s. Bij volwassenen bestaat de jury uit zeven juryleden. De eerste vijf sprongen in een wedstrijd zijn verplichte sprongen. Daarna mag de springer zelf zijn sprongen bedenken.

Materiaal
Je springt van een plank of van een toren. Er zijn vijf verschillende hoogtes:- de 1-meterplank- de 3-meterplank- de toren van 5 meter- de toren van 71/2 meter- de toren van 10 meter. Op een springplank moet je goed kunnen veren. Je kunt dan lekker hoog springen. Verder is het belangrijk dat een toren of plank niet te glad is. Schoonspringers drogen zichzelf af met een zeem om niet te veel af te koelen en om de benen droog / stroef te maken bij een sprong met meerdere salto´s.

Training
Schoonspringers moeten veel kracht hebben en lenig zijn. Tijdens de training is er dus veel aandacht voor lenigheid. Je moet je ook goed kunnen concentreren en veel durven. Op een training wordt er natuurlijk veel gesprongen. Je probeert een sprong steeds beter te doen. De training is niet altijd in het water. Schoonspringers oefenen ook veel op het droge. Ze gebruiken dan een trampoline. Of ze springen van een duikplank in een bak gevuld met zachte kussens. Het is vaak moeilijk om je sprong te oefenen. Je hebt namelijk maar weinig tijd om de bewegingen te maken. Daarom is de vanggordel uitgevonden. Je hangt dan aan touwen in de lucht en hebt alle tijd om je sprongen te oefenen. Bij training in het water wordt de zogenaamde ‘bubbel’ gebruikt. Het water gaat bubbelen. Als je dan in het water terechtkomt, voelt het als een soort luchtkussen. Dat doet dus niet zo’n pijn. Dat is vooral prettig als je per ongeluk op je buik in het water terechtkomt.

Toppers
Bekende Nederlandse springers uit de jaren tachtig zijn Daphne en Edwin Jongejans. Zij zijn broer en zus. Ze hebben allebei aan meerdere Olympische Spelen meegedaan. Edwin Jongejans werd in 1991 zelfs wereldkampioen. Bekende springers van nu zijn Yorick de Bruijn en Inge Jansen.  Een sprong bestaat uit: de aanloop, de afzet, de vlucht en de landing in het water. De afzet is heel belangrijk. Als de afzet niet lukt mislukt de sprong. Als je in de lucht hangt heb je ongeveer2 seconden de tijd om je sprong te maken. Bij de landing is het de bedoeling om loodrecht en bijna zonder spetters in het water te komen. Er zijn drie soorten sprongen: zweefsprongen, salto’s en schroefsprongen. Bij een zweefsprong blijf je een tijd in de lucht zweven. Bij een salto maak je voorover of achterover een koprol in de lucht. Bij een schroef draai je met je lichaam links- of rechtsom. Als je net begint met schoonspringen maak je makkelijke sprongen. Bijvoorbeeld een standsprong. De standsprong is een sprong voorwaarts. Het lichaam is helemaal gestrekt. De voeten landen eerst in het water. Je springt dus als een soort potlood het water in. Als je langer op schoonspringen zit dan leer je steeds moeilijkere sprongen zoals een dubbele salto. Een apart onderdeel is het synchroonspringen. Je springt dan met zijn tweeën tegelijk. ‘Synchroon’ betekent ‘gelijk’. Je moet proberen samen zo gelijk mogelijk te springen. De jury let erop of de tweespringers de bewegingen inderdaad gelijktijdig uitvoeren. Ook let de jury erop of elke springer de sprong technisch goed uitvoert.

Richtingen bij het schoonspringen
Bij het schoonspringen kan in verschillende richtingen gesprongen worden, namelijk voorwaarts, achterwaarts, binnenwaarts en contra. Bij binnenwaarts sta je achterstevoren op de punt van de plank, en draai je voorover. Bij contra spring je naar voren en draai je achterover. De sprongen worden aangegeven met codes. Hieronder staat een korte uitleg over die codes. Het eerste getal geeft de richting aan waarin de sprong gesprongen wordt:  1=voorwaarts
2=achterwaarts
3=contra
4=binnenwaarts
5=schroefsprongen
6=handstand (alleen van de toren)

Het middelste cijfer geeft aan of er een zweefmoment in zit, waarin tenminste een halve salto gezweefd moet worden. Het laatste cijfer geeft het aantal halve salto’s aan. Vanuit handstand kun je voorwaartse, achterwaartse en contrasprongen maken, eventueel gecombineerd met schroeven. Bij schroefsprongen is het tweede cijfer voor de afzetrichting en het laatste cijfer telt voor het aantal halve schroeven. De schroefsprong-codes bestaan dus uit 4 cijfers, alle andere uit 3.De houdingen van een sprong worden weergegeven met letters:
A=gestrekt
B=gehoekt
C=gehurkt
D=vrije houding (alleen bij schroefsprongen)

Een voorbeeld van een code is 102 C:  het eerste cijfer betekent voorwaartse richting  het tweede cijfer betekent dat er geen zweefmoment in zit  het derde cijfer betekent dat er twee halve salto’s worden gemaakt  de letter C betekent dat de sprong gehurkt wordt uitgevoerd.  Het is dus 1 salto voorover gehurkt.

(bron: KNZB)